21 maart

Bomen en struiken hebben zich een begrafeniskostuum aangemeten. Schaamteloze krekels tjirpen de nachtelijke stilte aan diggelen. Een halve maan telt slaperig de sterren. En mijn dagen.
Ik weet niet hoelang ik hier al lig. Het grindpad priemt me als een spijkerbed. Er sijpelt stroperig vocht uit mijn achterhoofd. Mijn oude botten kraken. Ik breek geluidloos in duizend stukken en drijf weg in ijle gedachten.
‘Winter, hoor je me?’ vraagt een meisje. Haar stem als in honing gedrenkt, zo zoet en zo teer.
Ik durf mijn ogen niet te openen.
‘Straks wordt het licht. Alles komt goed,’ zegt ze.
Haar doordringende geur van witte lelie bedwelmt me.
‘Ik ben het, Lente. Alles komt goed,’ herhaalt ze.
Ik schrik op. Lente? Toch niet dé lente? Een glinsterend waas, zacht als een kasjmieren deken, glijdt over me heen. Met twee vingers voelt ze mijn hartslag in mijn keel. Ik hou mijn adem in. Haar vingers zijn zacht en warm maar ze drukt iets te doortastend.
‘Alles komt goed,’ zegt ze voor een derde en laatste keer.