Alleen een ramp kan me redden

Het geluk hoort bij mij als een koekje bij de thee. Ik beleg mijn boterham met kaviaar en leng mijn champagne met luxewijnen aan. In de spiegel bewonder ik mijn weeldewratten en welvaartspuisten. Het deert mijn olifantenvel niet. De barometer van mijn succes staat op eenzame hoogte. Zo hoog dat ik alleen nog maar kan vallen. In de dieperik tuimelen. Ik geef het toe, de angst voor het verval slaat me soms om het hart. Nee, niet soms. De voorbije maanden voortdurend. Ik ga ermee slapen en ik sta ermee op. Het onheil loert om elke hoek, klaar om me bij de keel te grijpen. Ik weet het, ik voel het maar het gebeurt niet. Het verlamt mijn hele lijf. Ik balanceer op de rand van een afgrond. Alleen een ramp kan me redden.
Ik zoek op internet naar een ongelukscoach. Google vraagt of ik gelukscoach bedoel. Nee, natuurlijk niet. Een van de gelukscoaches woont vlak om de hoek, in een onopvallend rijhuis, een simpel voortuintje, niets bijzonders. Drie dagen later bel ik aan. Een doodgewone man, doordeweekse kledij, geen aureooltje om zijn hoofd. In een sobere kamer schenkt hij me wat water in. Hij vraagt me om een boom te tekenen. Daarna moet ik iets doen met klei. En dan vraagt hij wat mijn grootste realisaties zijn. Ik som al mijn successen op, al mijn verwezenlijkingen, alles waar ik trots op ben.
‘En heb je daarmee vrienden gemaakt?’ vraagt hij.
Plots zakt de grond onder mijn voeten weg.

 

TERUG NAAR OVERZICHT PROZA