Deining in de nacht

Ik praat met mijn minnares terwijl mijn vrouw naast me ligt. Nochtans, de laatste uren voor het slapengaan verliepen niet anders dan normaal. Wat tv kijken, veel te laat naar bed gaan, tanden poetsen, in bed kruipen, lichtje aan en wegduiken in een boek. Ik heb een voorkeur voor kortverhalen. Absurde, fictieve kortverhalen. Het verhaal dat ik nu lees, gaat over een zieke computer die in een computerkliniek belandt. Zijn vriendin, een laptop, is bang dat ze met hetzelfde virus besmet is. Ze vernietigt van haar harde schijf alle virusfilms, behalve ‘Outbreak’ met Morgan Freeman. Ze is een beetje verliefd op hem. Ze zegt dat dat mag, ook van haar computervriend. Hij is op zijn beurt gek op Dakoto Johnson, die de hoofdrol speelt in Fifty Shades of Grey. De laptop begrijpt niet goed dat hij valt voor een sm-vrouw want zelf heeft hij een ontzettende bindingsangst.

Mijn vrouw heeft het niet zo voor absurde kortverhalen. Zij leest liever spirituele boeken, alsof dat op zich al niet absurd is. Als politieagente moet ze op haar werk met die esoterische mystiek ook niet afkomen. Heel zelden wordt er in het lokale politiekantoor een helderziende gevraagd om een moord op te lossen maar veel brengt dat niet op. Hooguit een voorspelling dat dit jaar de regering in grote moeilijkheden zal komen, zeer grote moeilijkheden. Of ze zal vallen, is nog een beetje koffiedik kijken.
‘Weet je nog dat we gisteren een eekhoorn gezien hebben,’ zegt ze.
Ik lees gewoon verder.
‘Wel, dat betekent dat het tijd is om rust te nemen. Dat staat hier letterlijk,’ zegt ze.
Ik kijk niet op, mijn verhaal is veel te spannend. De computer ligt in het ziekenhuis op sterven.
‘Als je een muis ziet, dan is het best om in je leven een klein stapje terug te zetten en naar binnen te keren. Gisteren zag ik nog onze kat met een muis spelen. Dat kan geen toeval zijn, eerst de eekhoorn en nu de muis. Het is duidelijk, ik moet wat rust inbouwen,’ zegt ze.
Ja, inderdaad, rust, dat heeft de computer nodig. Hopelijk gaat de laptop niet vreemd, dat zou ik erg vinden. Zeker als de computer ziek is.
‘Luister je wel naar mij?’ vraagt mijn vrouw.
‘Ja.’
‘Geloof jij niet in die tekens?’ vraagt ze.
Ik antwoord met een vraag, altijd interessant als je een vraag wilt ontwijken. Mijn vragen hebben daarenboven de wonderlijke kracht om een gesprek definitief af te breken. ‘Weet jij wat het betekent als je een kangoeroe ziet met in zijn buidel een konijn dat met drie wortelen zit te jongleren?’
‘Nee.’
‘Dat je te veel gedronken hebt,’ zeg ik. Ze kan er niet mee lachen.
Ik lees verder. Uiteindelijk loopt alles goed af, de computer herstelt langzaam, enkel zijn geheugen werkt niet goed meer. Dat kan ook door de ouderdom komen, zegt de dokter, hij is tenslotte al zeven jaar. De laptop blijft haar computer trouw, al kijkt ze soms ’s nachts stiekem naar films met Morgan Freeman.

‘Ik ga slapen,’ zegt mijn vrouw. Ze kust me vluchtig op de mond, ze doet het leeslichtje uit en draait zich op haar zij, de rug naar mij gekeerd. Het valt me telkens op hoeveel haar ze heeft, een beetje zoals Diana Ross in haar jonge jaren. Ik denk, als je daarin verdwaalt dat je een vuurpijl nodig hebt om eruit gered te worden. Maar misschien lees ik te veel absurde kortverhalen. Het is tijd om te slapen. Ik doe mijn lichtje uit.
Midden in de nacht word ik wakker door wat gebrom, net alsof iemand de radio heeft aangezet. De eerste zinnen die ik hoor, klinken Russisch of toch iets Oost-Europees. Ik versta er geen sikkepit van. Tot ik iemand duidelijk hoor zeggen: ‘Ik mis je.’ De stem is niet van mijn vrouw maar komt wel duidelijk uit haar mond. De radio staat niet aan, dat weet ik zeker.
‘Mis jij mij?’ vraagt de onbekende stem.
Wat moet ik nu doen? Kan ik zomaar antwoorden? En luidop? Zal mijn vrouw niet wakker worden?
Ik fluister zacht: ‘Wie ben jij?’
‘Wie denk je dat ik ben?’ vraagt ze.
Ik blijf fluisteren. ‘Geen idee, alleszins niet mijn vrouw.’
‘Dat heb je goed gezien,’ zegt ze. ‘Eetcafé De Poort, zegt je dat iets?’
Het is kwart over twee ’s nachts, ik word verondersteld na te denken. En mijn geheugen werkt al niet goed meer. Het is de ouderdom, zei de dokter, maar misschien zit ik wel met een virus.
‘Utrecht, ik in een rode jurk, chocoladetaart, een karaf witte wijn Chardonnay, je zei dat ik mooie ogen heb, dat je opnieuw contact wou. Wel, hier ben ik,’ zegt ze zonder intonatie, zonder emotie.
‘Toch niet hier,’ fluister ik al iets harder. Ik ben nog steeds bevreesd dat mijn vrouw een spelletje aan het spelen is. Dat ze plots haar ogen opendoet, mij arresteert wegens overspel en mij in de boeien slaat.
Maar nee, mijn vrouw kan niet weten van Utrecht, De Poort, Femke, de vrouw in de rode jurk. Of toch? Zou ze mijn ontmoeting met Femke stiekem gadegeslagen hebben? Of droomt ze dit nu allemaal?
‘Je vrouw weet van niets. Ze ligt rustig te slapen,’ zegt Femke.
Oei, ze kan nu al mijn gedachten raden. Wat is hier aan de hand?
‘Ja, ik mis je. En ja, ik zou je graag terugzien. Maar hoe haal je het in je hoofd om mij hier op te zoeken, hier in bed met mijn vrouw?’
‘Waarom niet?’ vraagt Femke. ‘Je hebt me toch waar je wou?’
Ze heeft gelijk. Ik sluit mijn ogen en kruip lekker dicht tegen haar aan.

Dit doe ik nu al een drietal maanden. De gêne is een beetje verdwenen maar comfortabel is het niet. Het gebrek aan slaap begint zijn tol te eisen waardoor mijn werk er steeds meer onder begint te lijden. Dat is ook mijn baas niet ontgaan. Na een goed gesprek, van man tot man, word ik verwacht contact op te nemen met een zelfhulpgroep. Vier dagen later is het zover.
‘Ik ben Gerrit en ik praat met mijn minnares terwijl mijn vrouw naast me ligt.’
‘Dag Gerrit,’ zegt heel de groep in koor. Een futloos koor.
Elke week opnieuw doe ik mijn verhaal waarbij het me opvalt dat iedereen aan mijn lippen hangt als ik mijn gesprekken met Femke opdiep. De groep is al zodanig groot dat nieuwe leden hun eigen klapstoeltje moeten meebrengen.
De therapeute, die in haar vrije tijd amateurtoneel regisseert, stelt me voor om er een toneelstuk van te maken. Met mij in de hoofdrol.
‘Dan wil ik wel eerst het script lezen,’ zeg ik.
‘Geen probleem. Als ik ermee klaar ben, kom ik je het ’s nachts vertellen. Elke nacht een klein stukje.’
Ik zeg dat het goed is. Femke begon me toch al te vervelen.

 

TERUG NAAR OVERZICHT PROZA