Geen ontkomen aan

Kerstmis bracht hij in zijn eentje op zolder door. Een Frans wijntje decanteren, het glas heffen en op zichzelf proosten verhief hij al heel zijn leven tot een meesterlijke discipline. Hij zette een plaat van Aznavour op en stak gewoontegetrouw een pijp op. Een belachelijk klein nepkerstboompje stak fel af tegen de antieke meubels. Zijn neefje van acht jaar had erop aangedrongen toch iets van de magische sfeer van Kerstmis toe te laten.
Zijn blik fixeerde zich plots op een eiken, handgemaakte kast. Al jaren onaangeroerd, bestoft en kreunend van ouderdom. Het leek net of de kast was omhangen met fonkelende sterretjes. Wankelend stond hij op en morrelde met bevende handen aan de sleutel. De kast had twee delen. Eén met felgekleurde kleren, het andere deel was leeg en had een laag deurtje aan de achterzijde. Hij trok een rode broek, een geel hemd en een hemelsblauw kostuumvest aan. Aarzelend opende hij het deurtje en kroop op handen en voeten erdoor. Een groot park ontvouwde zich voor zijn ogen. Vier zigeuners zongen La bohème rond een knetterend kampvuur. Tegen de achtergrond van een regenboog liepen twee kinderen een vlinder achterna. Een man met guitige oogjes en strak in het pak kwam naar hem toe.
‘Doe je mee aan de vlindertelling?’ vroeg hij.
‘Tellen die in mijn buik ook mee?’
Op dat moment werd de hemel stikdonker. Een metershoge vloedgolf kwam recht op hen af. In het water tekenden zich gezichten af. Dreigende gezichten. Hij meende zelfs de ogen van zijn overleden vader te herkennen. Iedereen zocht beschutting maar ze zaten als ratten in de val. Vlinders werden gieren en de zigeuners veranderden in krokodillen. Met de angst in zijn ogen zocht hij de deur waardoor hij binnenkwam. Hij wou zo snel mogelijk uit de kast.

 

TERUG NAAR OVERZICHT PROZA