Kind van de duivel

Mijn moeder zegt dat ik het kind van de duivel ben. Ze zou wel eens gelijk kunnen hebben. Geef haar een staart en twee hoorntjes en ze lijkt er sprekend op.
‘Saartje, kijk eens wat ik heb meegebracht,’ zeg ik tegen mijn zusje.
Ik haal een fles blauwe wasverzachter uit mijn rugzak. Met haar grijpgrage handjes reikt ze naar het betoverende spul. Het vrolijke beertje op de verpakking kijkt haar lachend toe. Ik weet dat we uit de buurt moeten blijven van Robijn. Dat heeft mijn moeder al verschillende malen met dreigende vinger gezegd. Maar ze is er nu niet.
‘Gaan we eten, Saartje?’ vraag ik.
Haar ogen glinsteren. Ze duikt in haar speelgoeddoos en graait er plastieken bekertjes en bordjes uit. Ze hebben haast dezelfde blauwe kleur als de wasverzachter.
Ik schroef de dop los. De geur van lavendel.
‘Lekker,’ zeg ik maar hou mijn mond en mijn vingers ver weg van het blauwe vergif.
Heel voorzichtig giet ik de stroop in haar bekertje.
Ik kijk gespannen toe hoe ze met beide handjes het bekertje met de smurrie vasthoudt. Ze lijkt te aarzelen.
‘Doe maar,’ zeg ik. ‘Ik zal het niet tegen mama zeggen.’
Ze brengt het bekertje aan haar lippen en neemt een slokje. Er tekenen zich rare wonden af op haar lippen. Ze grijpt naar haar maag. Haar gezicht verkrampt. Ze snakt naar adem. Al haar kleur trekt weg. Alsof ze doorzichtig wordt. Ik kijk gefixeerd toe. Roerloos. Zoiets moois heb ik nog nooit gezien.

 

TERUG NAAR OVERZICHT PROZA