Tijd heelt altijd te laat

Waarmee kan ik u van dienst zijn, mevrouw?’ vroeg Marcel die net de sleutel in de deur van de pastorie had gestopt.
‘Meneer pastoor, dit is voor jou,’ zei de vrouw met hijgende stem en een lichtjes rood aangelopen hoofd. Verbouwereerd nam hij het boek aan. Nog voor hij iets kon zeggen, was ze al geruisloos in de uitgestorven straat verdwenen.

Het boek Het huis van de moskee had een bibliotheeksticker op de rug. Toen hij het boek wou neerleggen op het glazen tafeltje in de hal, merkte hij tussen de vergeelde pagina’s een klein, wit driehoekje op dat als een handje van een drenkeling omhoog stak, schreeuwend om gered te worden. Het bleek het uitleenticket van de vorige ontlener. Sabrina De Cock. Onder Het huis van de moskee had ze een getallenreeks gekrabbeld: 22 39 29 32 36 25. Ze had nog een boek ontleend: Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst. Dat is wel heel veel vloeken voor een titel van een boek, dacht hij. Onder al dat gevloek weer een reeks getallen: 52 35 46 29 40 23.
Het verbaasde hem hoe hij plots gebiologeerd was door een vrouwennaam, twee boeken en twaalf getallen. De gedachte dat ook zij dit stukje papier aangeraakt had, ontlokte hem een siddering van genot. Hij rook eraan met zijn ogen dicht. Hij ademde niet zozeer de geur van papier in, maar het aroma van streelzachte vingers en een snuifje kersenrode lippen. Al wist hij dat het niet kon. Dat het niet mocht. Hoe meer hij het wou loslaten, hoe dwingender de gedachten werden. Zijn geest maakte vreemde bokkensprongen van een verhitte omstrengeling over losgerukte kleren tot verrukking in de hoogste graad. Hij zat als een gladiator zonder teugels in een strijdkar achter losgeslagen paarden, paarden van verlangens naar de intimiteit met een vrouw.
Maar een verzonnen vuur verwatert snel. Marcel zuchtte eens diep en legde het briefje in de onderste la van zijn bureau, onder wat dikke dossiers. De inleverdatum van het boek noteerde hij keurig in zijn agenda.
Dagen gingen voorbij, weken gingen voorbij. Traag, maar ze gingen voorbij. Hij doopte een kindje met dezelfde verwondering als voorheen. Hij zegende huwelijken in geheel eigen stijl in. Met veel beeldspraak, veel humor en tomeloze passie. De koppels keken hem dankbaar aan alsof ze de zegen van een engel hadden ontvangen. Als een zingend kind op een fiets trok hij elke dag een spoor van blijdschap door de stad. Hij straalde een vorm van zorgeloosheid uit waar anderen hem om benijdden. Ware geluk is elke avond gaan slapen met een gerust gemoed, zo formuleerde hij dat. Hoewel hij af en toe eens een nachtje wakker lag, had hij zijn leven weer helemaal onder controle.

Tot een artikel in het Brugsch Handelsblad zijn nieuwsgierigheid opnieuw had geprikkeld. Een speling van het lot. Ja, daar kon Marcel het op afschuiven. Het artikel handelde over bijzondere trouwdata. Een koppel uit het naburige Assebroek was getrouwd op woensdag 11 december 2013, om 14 uur 15 minuten en 16 seconden. Omwille van de rekenkundige reeks 11 12 13 14 15 16. Zes getallen! Een rekenkundige reeks, dat hij daar niet aan gedacht had!
Hij haastte zich naar zijn bureau, deed de onderste la open en diepte het ticketje vanonder de dossiers op. Hij bestudeerde opnieuw de reeks getallen: 22 39 29 32 36 25. Nu pas zag hij twee fijne puntjes achter de getallenreeks staan. Hij moest de rij aanvullen met twee andere getallen, natuurlijk. Maar welke? Uit zijn hoofd lukte het niet, dan maar op papier. Rusteloos zocht hij alle mogelijke verbanden, kraste en telde. Tot hij opeens het licht zag alsof God hem persoonlijk de code toefluisterde. Het eerste, derde en vijfde getal wordt telkens met 7 verhoogd, de andere getallen met 7 verminderd: 36 + 7 = 43, 25 – 7 = 18. Twee getallen: 43 en 18. Pagina 43, regel 18, net als psalmen en verzen. Vlug bladerde hij in het boek, naar pagina 43, regel 18: Ik geloof niet in toeval.
Sabrina gelooft niet in toeval. Dus ze heeft dit spel bewust opgezet. De andere getallen, 52 35 46 29 40 23, alweer gevolgd door twee puntjes. Natuurlijk, de oneven getallen min zes, de even getallen ook. Dus 40 – 6 = 34, 23 – 6 = 17. Pagina 34, regel 17 uit de Godverdomse dagen. Vlug rende hij naar de bibliotheek. Wie of wat hij onderweg tegenkwam, zag hij niet, hoorde hij niet. Hij had Sabrina in zijn hoofd. En veel fantasieën. En ook een angst die hij niet kon verklaren.
Zoeken bij VERH van Verhulst. Hij vond het boek. Hij bladerde gejaagd door naar pagina 34 en las regel 17: Bloot blijft altijd mode.
Zijn ogen bleven een tijdje kleven op bloot. Nieuwsgierig las hij verder. Enkele regels later: Priester is een schone stiel. En onderaan in potlood geschreven: ‘Molenweg 102 – elke dinsdag 10 uur’. De adrenaline gierde als een gek door heel zijn lijf. Daar stond hij in de bibliotheek, een geile priester met het boek Godverdomse dagen in zijn handen. En een spoor naar Sabrina. Hij had het hierbij kunnen laten maar de vlam waarvan hij dacht dat die gedoofd was, wakkerde opnieuw aan. Ook al wist hij dat één kaars een heel huis in de as kan leggen, zelfs die onheilspellende gedachte kon het monster van de begeerte niet verdrijven.

Elke dag, vanaf de woensdag dat hij haar adres gezien had tot de volgende dinsdag, duurde wel een eeuwigheid. Hij genoot van het vuur dat door zijn aderen stroomde, hij gaf voor het eerst in zijn leven een tournée générale in het café dat niet bekend stond om een katholieke geloofsovertuiging. Hij speelde er zelfs tafelvoetbal met de frivole dochter van de kroegbaas. Hij had zichzelf heruitgevonden.
Als je beseft wie je bent, dacht hij, heb je twee keuzes: of je begint te leven, of je begint te sterven. Hij koos voor het eerste.

Uiteindelijk, na zes lange dagen en nog langere slapeloze nachten stond hij voor het huis van Sabrina. Hij keek nog eens links en rechts – alsof hij zich daar onzichtbaar mee zou maken – en belde aan. De seconden tot zijn ontmoeting met Sabrina leken wel uren.
Zou het dan toch waar zijn dat het meest angstige moment het moment is waarop je een droom kunt realiseren?
Hij keek nog eens opzij in de straat. Niemand te zien. De deur ging open. Hij stond oog in oog met een man van tussen de dertig en de veertig jaar. Zijn scherp gezicht kwam hem niet onbekend voor. Toch kon Marcel hem niet thuisbrengen.
‘En?’ vroeg hij.
‘Euh… ik kom eigenlijk voor Sabrina,’ stamelde Marcel.
‘Wat wil je dan?’
Marcel zweeg. Hij kon het niet over zijn lippen krijgen.
‘Wil je misschien weten of Sabrina buiten mag spelen? Dat zul je aan haar mama moeten vragen,’ zei hij.
Deze situatie had hij zich niet voorgesteld.
‘Euh… ja, neen… ik denk dat ik me vergist heb. Sorry voor het storen.’
‘Ach, doe niet zo gek. Kom binnen, ik ging toch juist vertrekken. Het is boven te doen. Eerste deur rechts.’
Hij trok Marcel nogal hardhandig aan zijn arm zodat hij in een fractie van een seconde in de hal stond, alleen, in een onbekend huis en niets anders voor hem dan een uitdagende wenteltrap. Danig in de war door het vreemde gesprek, aarzelde hij om naar boven te gaan. Hij kon nog terug, dat was zeker. Maar hij kon ook naar boven. Naar het paradijs. Of naar de hel.
‘Kom maar,’ riep een lieve vrouwenstem. Dat het niet de stem van een kind was, was al een hele opluchting.
Op de trap hield hij de leuning goed vast. Zijn flanellen benen boden nauwelijks nog steun. De eerste deur rechts stond op een kier. Zijn opgewondenheid haalde het van zijn zenuwachtigheid, zijn lust won het van zijn verstand. Hij duwde voorzichtig de deur open. Hij zag een groot bed, maar geen Sabrina. Schuifelend, voetje voor voetje, trad hij dit heiligdom binnen. De warmte overviel hem meedogenloos. Hij keek rond maar zag niemand. Op het nachttafeltje een Boeddhabeeldje. Het lachte Marcel toe, maar stelde hem niet gerust. Was dit een grap? Of een val? Hij moest daar weg, er klopte iets niet. Hij draaide zich om en keek recht in de donkere ogen van een beeldschone vrouw. Zwarte krullen, bruine teint, vuurrode lippen. Haar purperen kimono viel net niet open, maar onthulde toch al genoeg. Ze glimlachte. Alle onrust maakte plaats voor een heftig hunkeren. Ze deed de deur dicht, ze liet haar kimono van haar lichaam glijden en kuste zacht zijn mond.
Nog geen half uur later verliet Sabrina de kamer. Marcel lag naakt op het bed. Er werd op de deur geklopt. Hard. Nog voor Marcel kon reageren, kwam er een man binnen, die zonder aarzelen naast hem op het bed ging zitten.
‘Je herkent me niet hé?’ vroeg de jongeman.
‘Ja, van daarstraks… beneden,’ zei Marcel die ondertussen rechtop zat, met een hoofdkussen tussen zijn opgetrokken knieën.
‘Don Boscocollege… internaat… 1979… misschien was ik niet memorabel genoeg… of was ik een van de zo velen,’ zei hij.
Hij bleef Marcel stuurs aankijken.
‘Een leerling?’ vroeg Marcel.
‘Zo kun je het stellen. Alleen heb ik iets te veel van jou geleerd. Iets wat niet in het lessenpakket zat.’
Zijn bitsigheid verlamde Marcel.
‘Wat er hier gebeurd is, heb ik opgenomen op video.’ Hij wees naar een piepklein oogje aan het plafond. ‘Sabrina is nu onderweg naar de politie. Hoe lang staat er op verkrachting, denk je?’
Marcel werd lijkbleek en voelde zich misselijk worden. Angsttranen schoten in zijn ogen.
‘Ge zijt een zielig ventje. Ze moesten je in een diepe put steken. Ge hebt zelfs mijn moeder niet herkend, ja, diegene die het boek is komen geven. Zij haat je evenveel als ik. Maar nu is het definitief gedaan.’
Marcel probeerde tevergeefs zijn bijtende klanken weg te laten vloeien als vuil afwaswater in de gootsteen. Hij werd overwoekerd door gedachten, als een muur vol klimop. Vluchten uit deze vretende gedachtestroom kon hij niet. Hij voelde hoe zijn vuisten zich opspanden. Zijn vingernagels sneden in zijn handpalm. Met alle macht die hem restte, greep hij naar het lachende Boeddhabeeldje.

 

***

TERUG NAAR OVERZICHT PROZA