Voorwoord

Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen of personen berust op louter toeval. Dit geldt ook voor iedereen die beweert dat toeval niet bestaat. Zoals Saartje. Saartje is mijn schoonzus en doet aan yoga. Sarah daarentegen doet aan reiki, dat is iets helemaal anders. Dus Saartje, als ik Sarah in mijn roman een zweverige teef noem, dan heb ik het niet over jou. Ik zou niet durven, lieve schoonzus.
Robert, de pedofiele turnleraar, is eveneens volkomen verzonnen. Ook al ging Roger, mijn turnleraar uit het Don Boscocollege in Sint-Amandsberg tijdens de schooljaren 1980 tot en met 1986 graag met ons onder de douche, elke overeenkomst is louter toeval. Roger S., ik hoop dat je je leven ongestoord en vrij van schuldgevoel kunt voortzetten.
Mijn vrouw Eva zou zich misschien kunnen associëren met het personage van de goedgelovige Evi, die dom als een achterdeur niet in de gaten heeft dat haar man al zeven jaar in het geheim een relatie heeft met haar beste vriendin Lynn, nee Linda. Eva, denk niet dat jij symbool staat voor die eigenzinnige, arrogante maar doodsaaie Evi. Ons huwelijk staat bijlange nog niet op springen. Trouwens, hoe zou ik die maandelijkse alimentatie van 300 euro kunnen betalen? Lynn wil alvast niet bijspringen met haar karige salaris.
Deze roman mag je beschouwen als één groot dankwoord aan al diegene die me gemaakt hebben tot wie ik nu ben, een gerijpte man die oogst wat hij gezaaid heeft. Al heb ik nooit om al dat onkruid gevraagd.

 

TERUG NAAR OVERZICHT PROZA